Dutch-NetherlandsEnglish (United Kingdom)
Sobiborinterviews.nl
 

Sobibor Interviews

Surry en Suze Polak

"we zijn maar een paar uur in Sobibor geweest"
Op 10 maart 1943 werden de gezusters Surry en Suze Polak uit Den Haag in Westerbork op transport gesteld naar Sobibor. ‘Wij zijn maar een paar uur in Sobibor geweest’, verklaarden zij in 1947. Ze hebben nog wel kunnen zien hoe hier de mensen die slecht ter been waren op kiepkarretjes werden gehesen en op een smalspoor het kamp in werden gereden. Wat de gezusters Polak toen nog niet wisten was dat die karretjes naar Lager III van het kamp gereden werden, waar de inzittenden direct werden doodgeschoten.

Met dezelfde trein waarmee zij gekomen waren, werden de gezusters Polak samen met nog een kleine dertig andere vrouwen, onder wie Cato Polak, Sophia Huisman, Bertha Ensel, Judith Eliazar en Jetje Veterman, naar het concentratiekamp Lublin-Majdanek overgebracht, waar zij zagen dat de mannen aan kettingen liepen. Vervolgens ging het verder naar een buitenkamp van het concentratiekamp in Lipowa, naar het zogenoemde Flughafen-Lager. ‘In Flughafen hebben wij slavenwerk moeten doen. Wij hebben er stenen moeten sjouwen en barakken gebouwd.’ Ook hebben ze hier kleding en bezittingen van slachtoffers moeten sorteren. Eind oktober 1943 werden zij met een groepje andere Nederlandse vrouwen per auto overgebracht naar het plaatsje Milejow, waar zij in de marmeladefabriek hebben gewerkt. Begin november deden geruchten de ronde over schokkende gebeurtenissen die in Lublin en omgeving hadden plaatsgevonden. ‘Wij wisten dat er iets aan de hand was, dat er iets ergs gebeurde. Wij moesten de hele dag in de barak blijven. De wacht zei dat we wij verbrand zouden worden. Wij wisten toen nog niets van de gaskamers af.’ De vrouwen in de marmeladefabriek hadden geluk gehad, want Himmler had op 3 november de Aktion Erntefest afgekondigd en alle joden in de kampen Trawniki, Lublin-Majdanek en enkele kleinere kampen laten doodschieten. In totaal werden bij de actie ruim de 42.000 joden om het leven gebracht. Himmler had waarschijnlijk tot de moordactie besloten uit vrees voor meer ongeregeldheden in de kampen, nadat op 14 oktober in het zwaarbewaakte Sobibor een opstand en uitbraak hadden plaatsgevonden. Begin augustus was er ook al een opstand uitgebroken in het vernietigingskamp Treblinka.

"als we Pools hadden gesproken, waren we gevlucht"
Kort na het bloedbad werden Surry en Suze met een groep mannen en vrouwen overgebracht naar het kamp bij Trawniki. ‘De barakken in Trawniki waren hermetisch gesloten toen wij er aankwamen. De mensen die in het kamp geweest waren, waren allemaal doodgeschoten.’ Het was de taak van de meisjes eten te halen, terwijl de mannen onder andere de lijken moesten verbranden. Steeds hadden de dwangarbeiders te horen gekregen dat zij bij het laatste appèl zelf ook zouden worden doodgeschoten. ‘Toen de lijken allemaal waren verbrand, werden de mannen inderdaad doodgeschoten.’ Het verblijf in het kamp bleef in het teken staan van de dood. ‘Op een morgen waren er honderden Duitse vluchtelingen. Die werden allemaal doodgeschoten. Een paar hadden zich verstopt in het kamp. Als die mensen gevonden werden en doodgeschoten waren moesten wij ze weghalen. Bij het leeghalen van de barakken vond je ook af en toe lijken.’

Toen de gezusters Polak in Trawniki werkten, waren twee Poolse meisjes erin geslaagd het kamp te ontvluchten. ‘Als wij Pools hadden gesproken, hadden wij het ook kunnen doen. Nu had het toch geen nut’. Tussen de Nederlandse en Poolse joden in het dwangarbeiderskamp konden spanningen ontstaan. De Poolse meisjes ‘scholden ons uit voor anti-Semieten. Wij kenden de joodse taal niet, dùs waren wij geen joden.’ Ook ergerden de Nederlandse meisjes zich aan de hypocrisie van de Poolse joden, die doorgingen voor heel vroom. Maar wij ‘kregen haast nooit wat van hen. Alleen als ze zagen dat je bijna dood ging, dan kreeg je wel eens iets, zagen ze echter dat het goed ging, dan waren ze vreselijk jaloers’. Suze en Surry stelden ook vast dat een groot verschil bestond tussen de joden uit de getto’s en die uit de steden. ‘De joden uit Warschau waren heel anders. Die mensen waren meer ontwikkeld.‘

"we waren verschrikkelijk mager"
Na een maand of zeven werden de zussen vanwege het oprukkende Rode Leger weer naar het concentratie- en vernietigingskamp Lublin-Majdanek overgebracht. Hier hebben de gezusters Polak een tijd op het land gewerkt en in de wasserij. Toen het Sovjetleger ook dit kamp naderde, werden de crematoria opgeblazen en moesten de gevangenen te voet in de richting van het westelijk gelegen Auschwitz, samen met de terugtrekkende Wehrmachtsoldaten. ‘Toen wij het kamp uitgingen, zag je overal vliegtuigen, die laag over ons heen gingen. De soldaten liepen in het midden, wij langs de kant.’ Onderweg ontstonden fricties tussen de SS’ers en de Wehrmacht. Om de haverklap ‘hadden zij ruzie en schoten elkaar daarbij voor de kop’. Tijdens de dodenmars naar Auschwitz moesten ook veel gevangenen het ontgelden: ‘onderweg zijn er heel wat doodgeschoten.’ Als het aan de SS gelegen had zouden alle gevangenen van kant gemaakt zijn, maar de Wehrmacht had zich met succes tegen het moordplan weten te verzetten. Uiteindelijk zijn de vrouwen naar Birkenau gegaan, terwijl de mannen naar Auschwitz werden overgebracht. ‘Wij werden beschouwd als een bevoorrecht transport, omdat wij de moffen gedekt hadden’.

Bij aankomst konden de vrouwen zich wassen en kregen ze volop te eten. Kaalgeknipt werden zij niet, wel kregen zij een nummer. In het kamp hebben Suze en Surry eerst graszoden gedragen, later werden zij ingedeeld bij het Scheisskommando en moesten zij de emmers met uitwerpselen legen. Bij de aanblik van de gaskamers sloeg steeds de angst hen beiden om het hart. ’s Nachts hoorden zij ‘het gegil van de mensen die weggehaald werden’. Toen het Russisch front ook Auschwitz naderde, werden de beide zussen op transport gesteld en verder westwaarts in Bergen-Belsen opgesloten. Hier moesten zij houthakken en soepketels dragen. De voedselvoorziening was echter verre van toereikend. ‘Toen wij weer op transport gingen, moesten wij in de transportbarak. Wij sliepen met ons allen op de grond. Wel 10 x per nacht moest je er uit. Het was vreselijk moeilijk in het donker je plaats te terug te vinden. Wij waren allemaal verschrikkelijk mager en wanneer je elkaar maar even aanraakte, deed het ontzettende pijn, zodat het gegil niet van de lucht was. In Bergen-Belsen zijn velen gestorven, niet van het slaan maar van de honger.’

"de Duitse vrouwen waren doodsbang voor ons"
Na verloop van tijd werden Suze en Surry weer op transport gesteld, dit keer ging het zuidoostwaarts. ‘Dagenlang hebben we stilgestaan. Ze wisten niet meer waar ze ons heen moesten brengen. Onderweg kwamen wij ontelbare transporten tegen. Wij hadden niets te eten en hadden vreselijke dorst. Onderweg zijn er ontzettend veel gestorven. Je lag midden tussen de lijken van mensen die gestorven waren aan vlektyphus.’ Via Raguhn in het oosten van Duitsland reed de trein dagenlang door Tjechoslowakije en kwam uiteindelijk ten noorden van Praag tot stilstand in Theresienstadt. Van de in totaal ruim 140.000 vooral Tjechische en Duitse joden die in dit zogenoemde Altersghetto hadden gevangen gezeten, waren toen de zusters Polak daar aankwamen inmiddels ruim 88.000 mensen naar de vernietigingskampen afgevoerd. Ongeveer 34.000 mensen stierven in het getto zelf. De beide zussen Polak brachten het er levend vanaf en werden op 8 mei 1945 door het Rode Leger bevrijd. Na de bevrijding kreeg Surry vlektyfus en werd naar de ziekenbarakken overgebracht. Van de Russische verplegers hadden de zussen geen hoge dunk. ‘De Russen waren slecht voor ons. De Russische verpleegsters b.v. waren onhebbelijk. Als je iets vroeg, dan kreeg je het niet. Brood werd je gewoon toegegooid. Er waren dokters, die konden nog niet eens op een horloge kijken. Als je vroeg hoe laat het was, wisten ze het niet.’ In het voormalige getto was voor de oud-gevangenen nu de periode van de milde wraak aangebroken. ‘Duitse vrouwen moesten het vuile werk doen. Er was geen waterleiding, alleen een pomp. Alles lieten wij ze doen, voor de kleinste dingen lieten wij ze lopen. Ze waren allemaal doodsbang voor ons.’ Nadat Surry hersteld was, werden de gezusters Polak door het Franse leger naar Nederland gebracht.

Terug naar "Nederlandse overlevenden"

Let op: opent in een nieuw venster AfdrukkenE-mailadres